Het begrip ‘eigendom’ heeft voor de Guarani een heel andere betekenis als voor de samenleving rondom hen. Het Guarani-volk ziet zich niet als eigenaar van de grond; en ook niet van wat er op leeft. Zij hebben van God het recht op het vruchtgebruik gekregen. Dat betekent dat ze het land moeten behandelen met respect, evenwicht en met mate. De goden en de andere Guarani zullen hierop toezien.

Zonder zich als eigenaar te zien respecteren de Guarani elkaars familieterritorium in elk ‘tekoha’. Ze zullen het niet zonder toestemming binnendringen of er dingen van waarde weghalen.

Het principe van solidariteit uit zich in het economisch systeem van de Guarani niet in collectief verband, waarbij allen samenwerken en allen eigenaar zijn van alles. Wat bestaat, is een morele plicht om te helpen wanneer een ander hulp nodig heeft; in nood hulp te ontvangen en met plezier te delen in het werk van een andere Guarani wanneer die hulp behoeft. Deze wederzijdse hulp wordt genoemd ‘Jopói’.

Vrijgevigheid is een van de belangrijkste deugden in de Guarani-samenleving. Iemand die egoïstisch is, bezittingen oppot door bij voorbeeld niet te delen met degenen met wie hij samen produceerde roept kritiek op zich af en wordt uit de gemeenschap geweerd.